rechtsbron nummer reg.nr. rechtsbrondatum gepubliceerd in publicatiedatum pagina
K.B.     10.08.2005 B.S. 05.09.2005 P38725

Koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten.

Gelet op de arbeidswet van 16 maart 1971, inzonderheid op artikel 19, derde lid, 1°, artikel 24, § 1, 2° vervangen bij het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 en gewijzigd bij de wet van 22 januari 1985, en artikel 26bis ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 en gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985, 10 juni 1993, 21 december 1994, 26 juli 1996 en 4 december 1998;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 april 1988, betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten;

Gelet op de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer;

Gelet op het advies nr.38416/1 van de Raad van State, gegeven op 26 mei 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

Artikel 1

Dit besluit is van toepassing op de mobiele werknemers van de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaringen en hun aanverwante activiteiten welke onder het Paritair Comité voor het vervoer ressorteren.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt bedoeld onder:

1.  “verhuizing”: elke overbrenging van installaties van de ene plaats naar de andere, onder meer privé, kantoren, magazijnen, werkplaatsen, beurzen, fabrieken, tentoonstellingen met inbegrip van alle begeleidende werkzaamheden, zoals inpakken, uitpakken, monteren, demonteren, zonder dat deze opsomming limitatief is;

2.  “meubelbewaring”: de opslagplaatsen voor meubelen en andere voorwerpen die dezelfde of gelijkaardige speciale bewaringsinstallaties vergen;

3. “aanverwante activiteiten”: elk goederenvervoer dat het gebruik vereist van voertuigen die speciaal uitgerust zijn, inzonderheid voor het vervoer van meubelen, kunstvoorwerpen, elektrische huishoudapparaten, archieven;

4.  “voertuigen speciaal uitgerust voor de verhuizing van meubelen”: elk voertuig met vast of beweegbaar koetswerk, niet buigzaam, waterdicht, binnenin voorzien van vastsnoeringsmateriaal behoorlijk gebouwd voor het vervoer van verhuizingen en uitgerust met klein vastzet- en beschermingsmaterieel, zoals dekens, kisten, en soortgelijk materiaal.

Artikel 3

Worden voor de vaststelling van de arbeidsduur niet als arbeidstijd beschouwd:

1.  de beschikbaarheidstijd zoals bepaald in artikel 3, b)  van de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen, dit wil zeggen:

a) andere perioden dan pauzes of rusttijden, waarin de chauffeur niet op zijn werkplek behoeft te blijven, doch beschikbaar moet zijn om gevolg te kunnen geven aan eventuele oproepen om de rit aan te vatten of te hervatten, of om andere werkzaamheden uit te voeren;

b) de perioden waarin de werknemer een per veerboot of trein vervoerd voertuig begeleidt;

c) de wachttijden aan de grenzen of bij laden en/of lossen waarvan de duur op voorhand bekend is of waarvan de verwachte duur wordt in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer;

d) de wachttijden tengevolge van rijverboden;

e) de tijd doorgebracht gedurende de rit naast de bestuurder of in de slaapcabine.

2.  de meertijd die de chauffeur nodig heeft om de afstand af te leggen van en naar de plaats waar het voertuig zich bevindt indien dit niet op de gebruikelijke plaats is gestald;

3.  de wachttijden die verband houden met de tol-, quarantaine of medische aangelegenheden;

4.  de tijd gedurende dewelke de werknemer aan boord of in de nabijheid van het voertuig verblijft, teneinde de veiligheid van het voertuig en de goederen te verzekeren, maar geen arbeid presteert. De verwachte duur van deze tijd wordt bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer;

5.  de tijd gewijd aan de eetmalen;

6.  de tijd, die overeenstemt met de onderbrekingen van de rijtijd  bedoeld in artikel 7 van de EEG-Verordening nr. 3820/85 van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer;

7.  de tijd gedurende dewelke geen arbeid wordt verricht, maar tijdens dewelke de aanwezigheid aan boord of in de nabijheid van het voertuig vereist is teneinde de verkeersreglementen na te komen of de verkeersveiligheid te verzekeren. De verwachte duur van deze tijd wordt bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer.

Artikel 4

De bij artikelen 19 en 20 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 vastgestelde grenzen of een lagere grens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst, kunnen worden overschreden, op voorwaarde dat in de loop van één week niet meer dan 50 uur wordt gewerkt en op voorwaarde dat de wekelijkse arbeidsduur zoals bepaald bij de wet of bij een collectieve arbeidsovereenkomst, gemiddeld over een periode van maximum zes maanden, wordt gerespecteerd.

Artikel 5

De tijden bepaald bij artikel 3 dienen te worden genoteerd op een individueel document. De werkgevers hebben de verplichting dit prestatieblad ter beschikking te stellen van de betrokken werknemers. De vorm en de inhoud van dit document worden door het Paritair Comité voor het vervoer goedgekeurd.

Artikel 6

Het Koninklijk Besluit van 12 april 1988 betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten wordt opgeheven.

Artikel 7

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2005 ( = eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het BS).

Artikel 8

Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.