13/12/2018 8:29:45            

 
  

Arbeidsduur

 

Collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de arbeidsduur in de sub-sector voor verhuisondernemingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten.  

rechtsbron

nummer

reg.nr.

rechtsbrondatum

gepubliceerd in

publicatiedatum

pagina

C.A.O.

 

75752

13.06.2005

 

 

 

K.B.

 

 

05.10.2006

B.S.

09.01.2007

485

Hoofdstuk I : Toepassingsgebied

Artikel 1

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing:

op de werkgevers die verhuizingen verrichten, op de uitbaters van de meubelbewaringen en hun aanverwante activiteiten, welke onder het Paritair Comité voor het vervoer ressorteren;

op de werklieden en werksters, die door de onder punt 1 bedoelde werkgevers worden tewerkgesteld.

Onverminderd de internationale akkoorden mag van de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst niet worden afgeweken door de werkgevers, de werklieden en de werksters van vreemde nationaliteit die zelfs tijdelijk hun activiteit in België uitoefenen

Hoofdstuk II: Bepalingen

Artikel 2

Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt een onderscheid gemaakt tussen:
2.1. week
2.2. arbeidstijd
2.3. beschikbaarheidtijd
2.4. arbeidstijdonderbreking
2.5. dagelijkse diensttijd
2.6. wekelijkse diensttijd
2.7. rijtijd
2.8. rusttijd

2.1. Week

Het woord “week” beduidt de kalenderweek van maandag 00.00 uur tot zondag 24.00 uur.

2.2. Arbeidstijd

2.2.1. De arbeidstijd is, zoals bepaald in artikel 3, a) van de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002, de periode tussen het begin en het einde van het werk, waarin de werknemer op het werk is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn taken of activiteiten uitoefent.

Dit wil zeggen:
* de tijd die wordt besteed aan:
- het rijden, laden en lossen;
- het schoonmaken en het technisch onderhoud van het voertuig;
- alle andere werkzaamheden om de veiligheid van het voertuig of de lading te verzekeren en om te voldoen aan de wettelijke of bestuursrechterlijke verplichtingen die direct met het specifieke vervoer in kwestie verband houden met inbegrip van toezicht op het laden en lossen, afwikkeling van administratieve formaliteiten bij de politie, de douane, enz.

* de periodes waarin de werknemer niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken en op de werkplek moet blijven, gereed om aan het werk te gaan en daarbij belast is met bepaalde aan die dienst verbonden taken, met name de wachttijden bij laden of lossen wanneer de verwachte duur daarvan niet vooraf bekend is;

* de wachttijden bij het laden en/of lossen waarvan de vermoede/verwachte duur overschreden wordt;

* alle overige tijden van fysieke arbeid in het raam van de arbeidsopdracht van de werknemer worden ook als arbeidstijd beschouwd ingevolge de algemene arbeidswetgeving.

2.2.2. Om de gemiddelde arbeidsduur te berekenen, waarvan sprake in de Arbeidswet en de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002, wordt enkel de arbeidstijd zoals hierboven bepaald in aanmerking genomen.

2.3. Beschikbaarheidtijd

2.3.1. De beschikbaarheidtijd zoals bepaald in artikel 3, b) van de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002, nl.:

* de andere perioden dan pauzes of rusttijden, waarin de werknemer niet op de werkplek behoeft te blijven, doch beschikbaar moet zijn om gevolg te kunnen geven aan eventuele oproepen om de rit aan te vatten of te hervatten, of om andere werkzaamheden uit te voeren;

* de perioden waarin de werknemer een per veerboot of trein vervoerd voertuig begeleidt;

* de wachttijden aan de grenzen en/of bij laden en/of lossen waarvan de duur wordt vermoed vooraf gekend te zijn zoals hierna bepaald: 
- 4 uur per laad- en/of losoperatie  
- 2 uur voor de wachttijden aan de grenzen;
tenzij de werkgever vóór het vertrek of net vóór het daadwerkelijk begin van de beschikbaarheidtijd een andere verwachte duur heeft kenbaar gemaakt aan de werknemer.

* de wachttijden ten gevolge van rijverboden;

* de tijd doorgebracht gedurende de rit naast de bestuurder of in slaap (slaapcabine);

* de meertijd die de werknemer nodig heeft om de afstand af te leggen van en naar de plaats waar het voertuig zich bevindt indien dit niet op de gebruikelijke plaats is gestald;

* de wachttijden die verband houden met de tol-, douane-, quarantaine, medische of  technische aangelegenheden;

* de tijd gedurende welke de werknemer aan boord of in de nabijheid van de wagen verblijft, teneinde de veiligheid van de wagen en de goederen te verzekeren, maar geen arbeid presteert;

* de tijd gedurende welke geen arbeid wordt verricht, maar tijdens welke aanwezigheid aan boord of in de nabijheid van de wagen vereist is teneinde de verkeersreglementen na te komen of de verkeersveiligheid te verzekeren.

De verwachte duur van de hierboven vermelde twee laatste tijden wordt vermoed maximaal 96 uren per maand te bedragen.

2.3.2. Om de gemiddelde arbeidsduur te berekenen, waarvan sprake in de Arbeidswet en de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002, wordt geen rekening gehouden met de beschikbaarheidtijd en de hierna genoemde arbeidstijdonderbreking en rusttijden.

2.4. Arbeidstijdonderbreking

Worden als arbeidstijdonderbreking en dus niet als beschikbaarheidtijd, noch als arbeidstijd beschouwd:
* de tijd gewijd aan de eetmalen;

* de tijd, die overeenstemt met de onderbreking van de rijtijd bedoeld in art.7 van de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het vervoer;

* de tijd waarover de werknemer vrij kan beschikken;

* de tijd die de werknemer zichzelf toeeigent.

2.5. De dagelijkse diensttijd

De dagelijkse diensttijd is de periode begrepen tussen twee dagelijkse rusttijden, hierin begrepen de tijden waarmede geen rekening wordt gehouden voor de berekening van de arbeidsduur, maar met uitzondering van de tijden besteed aan de rustperioden, aan de maaltijden en aan de voorziene onderbrekingen van de rijtijd, van maximum één uur per dag en van vijf uren per week.

Wanneer het werk niet aanvangt of eindigt op de exploitatiezetel van de onderneming, wordt als diensttijd beschouwd, het verschil tussen de totaal gemaakte verplaatsingstijd en de duurtijd van de weg naar en van het werk.

2.5.1. De duur van de dagelijkse diensttijd mag twaalf uren niet overschrijden op maandag en dinsdag, elf uren op woensdag, donderdag en vrijdag in het stelsel van de vijfdaagse werkweek en elf uren op maandag en dinsdag, tien uren op woensdag, donderdag en vrijdag en vijf uren op zaterdag in het stelsel van de zesdaagse werkweek.

2.6.  De wekelijkse diensttijd

De wekelijkse diensttijd is de som van de diensttijden, gespreid over één week.

2.6.1. De duur van de wekelijkse diensttijd mag zevenenvijftig uren niet overschrijden. Nochtans mag de dagelijkse diensttijd worden verlengd in geval van overmacht, onvoorziene onderweg opgelopen vertraging en toevallige gebeurtenissen, in de mate van het nodige om de veiligheid van het voertuig of de lading ervan te verzekeren, om de bestuurder in de mogelijkheid te stellen een geschikte stopplaats te bereiken of indien de omstandigheden het toelaten, de reis te beëindigen en om een werk volgens het opgemaakte plan of behoeften van de cliënteel te kunnen voltooien.

Deze overschrijding mag zich slechts éénmaal per week voordoen, zonder de ononderbroken rusttijd te verminderen van minimum negen uren tussen twee diensttijden en op voorwaarde dat de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uren over een periode van maximum zes maanden, wordt gerespecteerd.

Deze overschrijding zal moeten worden gecompenseerd in de loop van dezelfde of daaropvolgende week.

2.7. De rijtijd

De rijtijd is de periode gedurende dewelke de werklieden en werksters een voertuig besturen.

2.7.1. Voor de bestuurders volstaat het zich te houden aan de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard van het vervoer.

2.8.  De rusttijd

De dagelijkse rusttijd is de periode gelegen tussen twee dagelijkse diensttijden en waarover de werklieden en werksters mogen beschikken.

Zijn in de dagelijkse rusttijd inbegrepen:
a) de tijd welke nodig voor het kleden en het wassen vóór en na de arbeid, voor de rusttijden en de maaltijden;
b) de tijd nodig voor het afleggen van de afstand van de woonplaats van de werkman of werkster naar de exploitatiezetel van de onderneming waar zij zijn aangesteld en van deze zetel naar hun woonplaats (weg naar en van het werk).

2.8.1. De werklieden en werksters moeten hun rustperioden nemen:

- de werknemers mogen in geen enkel geval langer werken dan zes uren achtereen zonder pauze;
- indien het aantal arbeidsuren zes tot negen uren bedraagt, moet de arbeidstijd worden onderbroken door een pauze van tenminste dertig minuten;
- indien het aantal arbeidsuren meer dan negen uren bedraagt, moet de arbeidstijd worden onderbroken door en pauze van tenminste vijf en veertig minuten.

De onderbrekingen van de rijtijd bepaald bij de van kracht zijnde wetten en reglementen zijn in deze rustperiodes begrepen. Zij moeten ermede samenvallen indien mogelijk.

2.8.2. De duur van de dagelijkse rusttijden bedraagt ten minste twaalf uur, behoudens in het geval voorzien bij artikel 2.6.1., tweede lid.

2.8.3. Buiten de dagelijkse rusttijden hebben de werklieden en werksters recht op een minimum wekelijkse rust van twee dagen in het stelsel van de vijfdaagse werkweek (zaterdag en zondag) of van zaterdag 12.00 uur tot zondag 24.00 uur in het stelsel van de zesdaagse werkweek. Opdat er een rustdag weze, mag er geen enkel werk worden verricht tussen 00.00 en 24.00 uur, of desgevallend van 12.00 tot 24.00 uur op zaterdag.

2.8.4. Het is niet toegelaten op de zondagen te werken. Het Paritair Comité voor het vervoer kan nochtans de uitvoering van sommige werkzaamheden op zondag toestaan wanneer het nodig vindt dat deze absoluut noodzakelijk zijn. De aanvragen om toelating moeten vergezeld zijn van het eventueel advies van de belanghebbende representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties van de betrokken sector en van de naamlijst van de bij afwijking belanghebbende werklieden en werksters. De aanvragen, vergezeld van de vereiste adviezen, moeten worden gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het vervoer.

Hoofdstuk III. Lonen

Artikel 3

Het Paritair Comité voor het vervoer stelt de minimum uurlonen vast. Deze lonen moeten in aanmerking worden genomen voor de berekening van het eventueel vast te stellen weekloon. Dit weekloon mag niet worden berekend over een periode welke 38 uren arbeidstijd overschrijdt.

Artikel 4

Ongeacht de duur van de dagelijkse diensttijd, hebben de werklieden en werksters recht op een minimum dagelijkse bezoldiging gesteund op de minimumdiensttijd vastgesteld in de artikelen 6 en 7 van dit hoofdstuk. Overeenkomstig artikel 27 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, is elke begonnen dag geheel verschuldigd. Evenwel, indien de arbeider of de arbeidster vrijwillig te laat komt en/of vertrekt vóór het einde van de dag of vóór het einde van het werk waarmede zij zijn gelast, zullen enkel de diensturen worden betaald.

Artikel 5

In geval van vast verblijf of reis in het buitenland, worden de werklieden en werksters geacht forfaitair de minimum dagelijkse diensttijd vastgesteld in het arbeidsreglement te hebben gepresteerd, behoudens wanneer zij tot langer durende werkzaamheden worden verplicht.

Wat de zondagen en wettelijke feestdagen betreft:
a) wanneer geen arbeid wordt uitgevoerd, worden zij betaald tegen acht maal het basisuurloon van de werkman of werkster.
b) wanneer arbeid wordt verricht, worden enkel de gewerkte uren betaald tegen de in a) vermelde voorwaarden met een overloon van 100 pct., dit boven de reeds vergoede acht uur voorzien in sub a).

Artikel 6

Vijfdaagse werkweek: de eerste acht uren van de dagelijkse arbeidstijd op maandag, dinsdag, woensdag en de eerste zeven uren op donderdag en vrijdag worden betaald tegen het basisloon. De bijkomende arbeids- en beschikbaarheidtijden worden betaald tegen de voorwaarden vastgesteld bij het artikel 8, a) en b).

Artikel 7

Zesdaagse werkweek: de eerste zeven uren van de dagelijkse arbeidstijd op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag en de eerste drie uren op zaterdag worden betaald tegen het basisloon. De bijkomende arbeids- en beschikbaarheidtijden worden betaald tegen de voorwaarden vastgesteld bij artikel 8, a) en b).

Artikel 8

De verhoging van het gewoon loon bedraagt bovendien, wanneer de diensttijd zich voordoet op een zondag of gedurende de rustdagen toegestaan volgens de wetgeving op de betaalde feestdagen: 100 pct.

Betaling van de diensttijd in overuren:
a) indien het arbeidstijden zijn:
- na het achtste werkuur van de dag op maandag, dinsdag, woensdag en na het zevende werkuur de donderdag en vrijdag (in de vijfdaagse werkweek);
- na het zevende werkuur van de maandag tot de vrijdag en na het derde werkuur van zaterdag (in de zesdaagse werkweek);
- of voor de twee stelsels: na het 38ste uur van de week,
zal de bezoldiging gelijk zijn aan het basisuurloon verhoogd met 50 pct. (dus aan 150 pct.);

b) indien het beschikbaarheidtijden zijn:
- na het achtste uur van de dag de maandag, dinsdag, woensdag en na het zevende uur van de donderdag en vrijdag (in de vijfdaagse werkweek);
- na het zevende uur van de maandag tot vrijdag en na het derde uur van zaterdag (in de zesdaagse werkweek);
- of, voor de twee stelsels: na het 38ste uur van de week,
zal de vergoeding gelijk zijn aan het werkelijk uitbetaald basisloon voor zover dit ten minste gelijk is aan deze vastgesteld door het Paritair Comité voor het vervoer voor de categorie waarvan de werkman of werkster deel uitmaakt – plus een verwijderingsvergoeding, voor elk uur van beschikbaarheid;

c) worden als overuren beschouwd die aanleiding geven tot betaling van het overloon bepaald bij artikel 29 §1 van de Arbeidswet van 16 maart 1971:
- de dagelijkse diensttijd die de vastgestelde dagelijkse diensttijd overschrijdt (zie artikel 2.5.1. van deze CAO);
- de diensttijd die de vastgestelde wekelijkse diensttijd overschrijdt (zie artikel 2.6.1. van deze CAO).

Hoofdstuk IV: Compensatierust

Artikel 9

Enkel de gewerkte overuren geven recht op compensatierust, volgens de noden en mogelijkheden van elke onderneming, dit in een maximum termijn van zes maanden.

Hoofdstuk V: Dagelijks prestatieblad 

Artikel 10

Een model van prestatieblad is bij deze CAO gevoegd en bevat tenminste volgende rubrieken:
- identificatie van de werkgever
- de periode met betrekking tot de prestatie
- het arbeidsregime
- naam en voornaam van de werknemer
- functie en het uurloon van de werknemer
- de dag en datum
- de effectief gepresteerde arbeidstijd
- de effectief aanwezige beschikbaarheidtijd
- de diensttijd
- opmerkingen
- de handtekening van de werknemer en van de werkgever
- voor de houders van een verhuizerskaart P draagt het prestatieblad dezelfde nummer als de kaart P
- voor de supplementaire arbeiders, drager van een verhuizerskaart S, wordt het nummer van de kaart op elk prestatieblad vermeld

Voor de berekening van de bezoldiging zijn de contracterende partijen van de arbeidsovereenkomst ertoe gehouden het dagelijks prestatieblad te gebruiken.

Ze bestaan uit twee exemplaren waarvan één exemplaar aan de werknemer gegeven wordt op het einde van de loonperiode.

Dit document wordt door de partijen erkend als het enige instrument naar hetwelk mag teruggegrepen worden ingeval van betwisting van de bezoldiging.

Indien het exemplaar getekend is door beide contracterende partijen van de overeenkomst, is iedere betwisting ervan onontvankelijk. Betwistingen zijn slechts toegelaten ingeval één van de parijen weigert het prestatieblad te ondertekenen. De werkgevers en werknemers mogen zonder wettige en nauwkeurige reden niet weigeren het voorgelegde prestatieblad te ondertekenen.

De bewijslast valt ten laste van de niet ondertekende partij, en in ingeval van betwisting bij de werkgever.

De dagelijkse prestatiebladen dienen bewaard te worden gedurende de periode voorzien in het KB van 8 augustus1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten (momenteel vijf jaar). Met de bedoeling deze CAO te doen toepassen komen de partijen overeen een dagelijkse prestatieblad op te stellen enkel en alleen rechtsgeldig voor de berekening van het loon.

Artikel 11

Bij elke loonsuitbetaling geeft de werkgever een loonfiche aan de werknemer. Ze bestaat uit twee exemplaren waarvan één exemplaar aan de werknemer gegeven wordt. Ze komt overeen met het prestatieblad. De bewijslast rust bij de werkgever.

Hoofdstuk VI: Opheffingsbepaling

Artikel 12

Deze CAO vervangt de CAO van 9 december 1988, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer betreffende de arbeidsduur in de sector “Verhuisondernemingen, meubelbewaring en aanverwante activiteiten ervan” algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 14 augustus 1989, bekendgemaakt in het B.S. van 13 september 1989; gewijzigd bij CAO van 17 juli 1991 - algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 10 oktober 1991 en bekendgemaakt in het B.S. van 10 januari 1992; gewijzigd bij CAO van 17 juli 1991 - algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 16 januari 1992 en bekendgemaakt in het B.S. van 20 februari 1992; gewijzigd bij CAO van 21 december 1998 - algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 19 januari 2000 en bekendgemaakt in het B.S. van 6 april 2000.

Hoofdstuk VII: Geldigheidsduur   

Artikel 13

Deze CAO treedt in werking op 13 juni 2005. Zij is gesloten voor onbepaalde duur.

Zij kan door elk van de contracterende partijen worden opgezegd. Deze opzegging moet minstens drie maanden op voorhand geschieden bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het vervoer, die zonder verwijl de betrokken partijen in kennis zal stellen.

Deze CAO wordt gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de Koning het K.B. van 12 april 1988 betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten wijzigt conform het advies van de ondertekende partijen, waarvan kopie als bijlage.

 

model A          
PRESTATIEBLAD        
           
           
Firma:  …………………………………..……………………………………………………………………….
Zetel:  …………………………………..……………………………………………………………………….
Prestaties week van  ………...……….……..  tot  ……………………..…..  (5 - 6 dagen*) 
Van (Naam en voornaam)  …………………..………………………………………………………
Verhuizerskaart nr  ……………..
Funktie: 

Drager-beginneling - Drager - Chauffeur - Chauff. int.

  Inpakker - Beroepsinpakker - Ploegbaas*    
           
           
Dagen

Diensttijd

Werktijd

Aanwezigheids-
tijd

Overuren

Opmerkingen

maandag          
dinsdag          
woensdag          
donderdag          
vrijdag          
zaterdag          
zondag          
 
(*) Het onnodige schrappen
 
Prestatie W.: gewerkt - Z.: ziek - A.O.: arbeidsongeval
  V.: verlof - F.: feestdag - A.: afwezig
  C.R.: compensatierust - G.W.: gedeeltelijk werkloos
 
Handtekening van de werkgever   Handtekening van de arbeider
of zijn beambte        
           
           

model B        
LOONSTROOKJE VAN …………………………………………  
         
Naam en voornaam:  ………………………………………… Verhuizerskrt nr  …………….
Funktie:  ………………………………………………………. Uurloon  ………………..… 
Periode van  ………………………………….. tot  …………………………………………….
Gewone uren:   Aantal uren

……..

……..

+ Gewaarborgd weekloon:   Aantal uren

……..

……..

+ Feestdagen:   Aantal Uren

……..

……..

+ Overuren        
   a) aanwezigheidsuren

100%

Aantal Uren

……..

……..

   b) werkuren

50%

Aantal Uren

……..

……..

   c)

200%

Aantal Uren

……..

……..

Compenserende rust aan 100%   Aantal Uren

……..

……..

+ Verwijderingsvergoeding   Uren aan

........ € +

……..

+ Regelmatige premies      

…………..

  Brutoloon    

……..

  - RSZ afhouding  

………….

  Belastbaar loon    
+ Gewaarborgd maandloon: …….. Dagen aan

……..  € +

……..

+ Onregelmatige premies …….. Uren aan

……..  € +

……..

  Belastbaar bedrag:  

………

  - Bedrijfsvoorheffing  

…………..

  Nettoloon    

……..

+ Verplaatsingskosten en Diversen:    

……..

+ Vervoerkosten:      

……..

+ Aanvullende vergoedingen:      

…………..

         
- Bijzondere bijdrage RSZ      

…………..

      TOTAAL:

……..

Handtekening van de arbeider     - VOORSCHOT:

……..

      TE BETALEN:

…………..

         
(*) ziekte - deeltijds werkloosheid - pensioen of brugpensioen

========

         
Te recuperen uren:  …………….      
         

Koninklijk besluit betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante aktiviteiten.

Dit KB wordt vervangen door het nieuw KB conform de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 (zie verder).

rechtsbron
nummer
reg.nr.
rechtsbrondatum
gepubliceerd in
publicatiedatum
pagina
K.B.
 
 
12.04.1988
B.S.
27.04.1988
P 05891

Gelet op de arbeidswet van 16 maart 1971, inzonderheid op artikel 19, derde lid, punt 1, op artikel 24, par. 1, punt 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 en op artikel 26bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 en gewijzigd bij de wet van 22 januari 1985;

Artikel 1

Dit besluit is van toepassing :

op de werkgevers die verhuizingen verrichten, op de uitbaters van meubelbewaringen en hun aanverwante aktiviteiten welke onder het Paritair Comité voor het vervoer ressorteren;

op de werklieden die door de onder punt 1 bedoelde werkgevers worden tewerkgesteld.

Art.2

Voor de toepassing van dit besluit :

duidt de term verhuizingen elke overbrenging van installaties aan van de ene plaats naar de andere, onder meer : privé, kantoren, magazijnen, werkplaatsen, jaarbeurzen, fabrieken, tentoonstellingen;

duidt de term aanverwante aktiviteiten elk vervoer aan van zaken dat het gebruik vereist van voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor het vervoer van meubelen of om de beschadiging tijdens het vervoer te voorkomen van diverse goederen zoals nieuwe meubelen, kunstvoorwerpen of electrische huishoudapparaten;

onder voertuig speciaal uitgerust voor het vervoer van meubelen, verstaat men elk voertuig met vast of beweegbaar koetswerk, niet buigzaam, waterdicht, binnenin voorzien van een stuwinrichting, behoorlijk gebouwd voor het vervoer van verhuizingen en uitgerust met klein stuw- en beschermingsmaterieel, zoals : dekens, kisten en soortgelijk materieel;

duidt de bewoording meubelbewaring de opslagplaatsen aan voor meubelen en andere voorwerpen die dezelfde speciale bewaringsinstallaties vergen.

Art.3

Worden voor de vaststelling van de arbeidsduur niet als tijd beschouwd gedurende dewelke de werkman ter beschikking van de werkgever staat :

de wachttijd die verband houdt met de tol-, quarantaine of medische aangelegenheden aan de grens;

de tijd gedurende dewelke de autobestuurder aan boord of in de nabijheid van de wagen verblijft, ten einde de veiligheid van de wagen en van de lading te verzekeren, maar geen enkel werk verricht;

de tijd doorgebracht in de kabine door werklieden, andere dan de autobestuurder, terwijl deze laatste de wagen bestuurt of de sub b voorziene taak vervult;

voor het rijdend personeel :

de periode tijdens dewelke de werkman niet deelneemt aan de voorbereidende werkzaamheden van het laden, het lossen, het terug ineenzetten en het uitpakken;

de periode tijdens dewelke het voertuig bestuurd wordt door een tweede bestuurder (ploeg van twee autobestuurders);

de tijd die overeenstemt met de onderbrekingen van de rijtijd voorzien door artikel 7 van het EEG-reglement nr. 3820/85 van 20 december 1985, betreffende de harmonisatie van sommige bepalingen op sociaal vlak voor het wegvervoer;

de ganse tijd besteed aan eetmalen en rusttijden.

Art.4

De bij artikelen 19 en 20 van de arbeidswet van 16 maart 1971 vastgestelde grenzen of een lagere grens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst kunnen overschreden worden, op voorwaarde dat de wekelijkse arbeidsduur, berekend over een periode van maximum zes maanden, gemiddeld de arbeidsduur vastgesteld bij wet of bij collectieve arbeidsovereenkomst niet overschrijdt.

Art.5

De tijden bepaald bij artikel 3, a), b), c), d), e), dienen genoteerd op een individueel document afgeleverd door de Belgische Kamer der Verhuisondernemers. Dit document zal ter beschikking van de werknemers moeten gesteld worden. De vorm en de inhoud van dit document worden door het Paritair Comité voor het vervoer erkend.

Art.6

Het koninklijk besluit van 22 april 1985 betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten wordt opgeheven.

Art.7

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 december 1987.

Art.8

Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit. 


 

 

Gelet op het koninklijk besluit van 12 april 1988, betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten;

Gelet op de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer;

Gelet op het advies nr.38416/1 van de Raad van State, gegeven op 26 mei 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

Artikel 1

Dit besluit is van toepassing op de mobiele werknemers van de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaringen en hun aanverwante activiteiten welke onder het Paritair Comité voor het vervoer ressorteren.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt bedoeld onder:

1.  “verhuizing”: elke overbrenging van installaties van de ene plaats naar de andere, onder meer privé, kantoren, magazijnen, werkplaatsen, beurzen, fabrieken, tentoonstellingen met inbegrip van alle begeleidende werkzaamheden, zoals inpakken, uitpakken, monteren, demonteren, zonder dat deze opsomming limitatief is;

2.  “meubelbewaring”: de opslagplaatsen voor meubelen en andere voorwerpen die dezelfde of gelijkaardige speciale bewaringsinstallaties vergen;

3. “aanverwante activiteiten”: elk goederenvervoer dat het gebruik vereist van voertuigen die speciaal uitgerust zijn, inzonderheid voor het vervoer van meubelen, kunstvoorwerpen, elektrische huishoudapparaten, archieven;

4.  “voertuigen speciaal uitgerust voor de verhuizing van meubelen”: elk voertuig met vast of beweegbaar koetswerk, niet buigzaam, waterdicht, binnenin voorzien van vastsnoeringsmateriaal behoorlijk gebouwd voor het vervoer van verhuizingen en uitgerust met klein vastzet- en beschermingsmaterieel, zoals dekens, kisten, en soortgelijk materiaal.

Artikel 3

Worden voor de vaststelling van de arbeidsduur niet als arbeidstijd beschouwd:

1.  de beschikbaarheidstijd zoals bepaald in artikel 3, b)  van de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen, dit wil zeggen:

a) andere perioden dan pauzes of rusttijden, waarin de chauffeur niet op zijn werkplek behoeft te blijven, doch beschikbaar moet zijn om gevolg te kunnen geven aan eventuele oproepen om de rit aan te vatten of te hervatten, of om andere werkzaamheden uit te voeren;

b) de perioden waarin de werknemer een per veerboot of trein vervoerd voertuig begeleidt;

c) de wachttijden aan de grenzen of bij laden en/of lossen waarvan de duur op voorhand bekend is of waarvan de verwachte duur wordt in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer;

d) de wachttijden tengevolge van rijverboden;

e) de tijd doorgebracht gedurende de rit naast de bestuurder of in de slaapcabine.

2.  de meertijd die de chauffeur nodig heeft om de afstand af te leggen van en naar de plaats waar het voertuig zich bevindt indien dit niet op de gebruikelijke plaats is gestald;

3.  de wachttijden die verband houden met de tol-, quarantaine of medische aangelegenheden;

4.  de tijd gedurende dewelke de werknemer aan boord of in de nabijheid van het voertuig verblijft, teneinde de veiligheid van het voertuig en de goederen te verzekeren, maar geen arbeid presteert. De verwachte duur van deze tijd wordt bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer;

5.  de tijd gewijd aan de eetmalen;

6.  de tijd, die overeenstemt met de onderbrekingen van de rijtijd  bedoeld in artikel 7 van de EEG-Verordening nr. 3820/85 van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer;

7.  de tijd gedurende dewelke geen arbeid wordt verricht, maar tijdens dewelke de aanwezigheid aan boord of in de nabijheid van het voertuig vereist is teneinde de verkeersreglementen na te komen of de verkeersveiligheid te verzekeren. De verwachte duur van deze tijd wordt bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer.

Artikel 4

De bij artikelen 19 en 20 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 vastgestelde grenzen of een lagere grens vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst, kunnen worden overschreden, op voorwaarde dat in de loop van één week niet meer dan 50 uur wordt gewerkt en op voorwaarde dat de wekelijkse arbeidsduur zoals bepaald bij de wet of bij een collectieve arbeidsovereenkomst, gemiddeld over een periode van maximum zes maanden, wordt gerespecteerd. 

Artikel 5

De tijden bepaald bij artikel 3 dienen te worden genoteerd op een individueel document. De werkgevers hebben de verplichting dit prestatieblad ter beschikking te stellen van de betrokken werknemers. De vorm en de inhoud van dit document worden door het Paritair Comité voor het vervoer goedgekeurd.

Artikel 6

Het Koninklijk Besluit van 12 april 1988 betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante activiteiten wordt opgeheven.

Artikel 7

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2005 ( = eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het BS).

Artikel 8

Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

 

Koninklijk besluit betreffende de arbeidsduur van het personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van verhuizingen, meubelbewaring en hun aanverwante aktiviteiten.

rechtsbron
nummer
reg.nr.
rechtsbrondatum
gepubliceerd in
publicatiedatum
pagina
K.B.
 
 
10.08.2005
B.S.
05.09.2005
P38725

Gelet op de arbeidswet van 16 maart 1971, inzonderheid op artikel 19, derde lid, 1°, artikel 24, § 1, 2° vervangen bij het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 en gewijzigd bij de wet van 22 januari 1985, en artikel 26bis ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 en gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985, 10 juni 1993, 21 december 1994, 26 juli 1996 en 4 december 1998;

 


 

Permanente beroepsopleiding in het kader van de wet wendbaar en werkbaar werk     KLIK HIER

PRIVACYVERKLARING Sociaal Fonds Verhuizingen, klik hier

Nieuwe CAO's 2017-2018 : Tijdskrediet en landingsbanen // Stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag.

De ARAB-vergoeding werd volgens de inhoud van het protocolakkoord op 01.09.2012 opgetrokken tot € 1,12 voor elk uur van de diensttijd.

Minimum uurlonen van toepassing vanaf 01/12/2018(38u/week), zie rubriek "Arbeidsvoorwaarden".

Vanaf 01/12/2018 worden de bedragen van de verblijfs- en verwijderingsvergoeding op 1 december geïndexeerd :

Verblijfsvergoeding:
Overnachting en ontbijt: € 16,8561
Middagmaal: € 13,5058
Avondmaal: € 11,7577

Vanaf 1 december 2018 bedraagt de verwijderingsvergoeding € 3,2568 en de flexibiliteitspremie € 3,2568.

Mail ons